Vererving bij de Toller

Bij alle hondenrassen komen er in totaal ongeveer 11 verschillende genen voor die de kleurvererving beïnvloeden  Deze noemen we het  A,B,C,D,E,G,M,P,S,T en W gen.

Een gen is opgebouwd uit een chromosoom. In de celkernen van lichaamscellen bevinden zich langere en kortere draden, de chromosomen. Chromosomen bestaan uit een stof met de chemische naam Desoxyribose Nucleic Acid, afgekort tot DNA. De lange draden van de chromosomen zijn door tussenschotjes is verdeeld in hokjes. Elk hokje van een chromosoom noemt men een locus. Het meervoud van locus is loci. Elk locus bevat een gen. Een gen is een erfelijke factor, die voorwaarde is tot en verantwoordelijk voor de ontwikkeling van een welomschreven stuk verschijningsvorm. Zo wordt ook de vachtkleur door erfelijke eigenschappen bepaald. Wanneer de overeenkomstige loci op elk der 2 bij elkaar behorende chromosomen bezet worden door dezelfde genen spreekt men van homozygoot. Zijn de genen verschillend, spreekt men van heterozygoot. In geval van heterozygotie kan het ene gen het andere overheersen. Het overheersende gen noemt men dominant, het ondergeschikte recessief. Hebben beide genen een meer of minder gelijke invloed, dan spreekt men van intermediaire vererving.
Een kryptomeer gen is een gen, waarin een bepaalde eigenschap onzichtbaar aanwezig is. Die eigenschap blijft verborgen door de afwezigheid van andere dominante factoren.  

                                Welke kleurgenen zien we terug bij onze Tollers.


B-locus
De genen van het B-locus bepalen de basiskleur, herkenbaar aan de neuskleur.
B met de B van black zorgt voor zwart met een zwarte neus.
b zorgt voor het ontstaan van de leverkleur met een bruine neus.

Bij de Tollers komen beide dus voor.

Omdat de genen paarsgewijs voorkomen, zijn de combinaties BB, Bb en bb mogelijk. Bij BB en Bb kunnen beide types een zwarte kleur produceren (omdat B het dominante allel is en b recessief). Het type bb komt in vele rassen voor en wordt chocoladekleurig, leverkleurig, bruin of rood genoemd. Ze hebben dan een bruine vacht, bruine oogranden en neuzen en waarschijnlijk heeft het gen ook invloed op de oogkleur, omdat de ogen lichter zijn
dan
van de BB of Bb honden.

E-locus
Het e-locus verhindert de vorming van donker pigment, waardoor de kleur helder rood of geel wordt. De E-locus bepaald de verdeling van de donkere kleur over het lichaamsoppervlak.
Het dominante E-allel zorgt voor zwart pigment over het hele lichaam, alleen als de hond tegelijkertijd het pigment-gen B draagt. Deze hebben dan ook zwarte neuzen en donkere ogen.
Normaal gesproken is het  allel van de E-serie aanwezig bij de Toller namelijk  e.
Het recessieve allel e voorkomt vorming van zwart pigment, m.u.v neus en ogen. Hierdoor kan een hond die dus ee draagt, niet zwart zijn, zelfs als hij BB of Bb draagt.

 

S-Locus.

De witte aftekeningen vloeien voort uit de informatie verkregen van deze locus.

Het Si gen zorgt voor het wit op de snuit, staartpunt, tenen, borst en buik van de Toller.

De sterkte van het Si gen bepaald de hoeveelheid aanwezigheid van wit.